De San of Bosjesmannen behoren tot de oudste volkeren op aarde. Naar schatting bewonen zij al bijna veertig duizend jaar Zuidelijk Afrika. Er zijn slechts weinig bronnen ter beschikking die duidelijkheid kunnen scheppen over de oude geschiedenis van de Bosjesmannen. Men kan conclusies trekken uit gedane vondsten zoals vb. rotsschilderingen, beenderen, potscherven, gebruiksvoorwerpen enzovoort, maar pogingen tot reconstructie van hun verre verleden zijn grotendeels hypothetisch.
 
Men gaat er van uit dat de Bosjesmannen, die vroeger verspreid waren over een zeer groot deel van Zuidelijk Afrika, in hun vroegere jaren vreedzaam samenleefden met hun collega’s, de Hottentotten, en hun noorderburen, de vele Bantoestammen. Zij dreven af en toe handel met elkaar en het gebeurde zelfs dat leden van deze verschillende volkeren onderling trouwden. Een belangrijk verschil tussen de Bosjesmannen en hun buren lag echter in het feit dat de Bosjesmannen steevast jager-verzamelaars waren, terwijl de Hottentotten en de Bantoestammen vee hielden om te overleven. De leefwijze van de Bosjesmannen werd door de andere volkeren als primitief beschouwd en geminacht.
 
Wanneer de noordelijke gebieden in Afrika begonnen te verdrogen en de Sahara-woestijn in omvang en droogte toenam, waren de noordelijke herdervolkeren (de Bantoestammen) genoodzaakt om geleidelijk naar het zuiden te trekken, op zoek naar plaatsen waar er meer water is. Zo begon een tijdperk van langzame verhuizingen die naar schatting tussen 2500 v.C. tot circa 1000 n.C. plaatsvond. Gedurende dezelfde tijd groeide de Bantoebevolking aanzienlijk, waardoor hun beweging uiteindelijk meer op een spreiding dan op een verhuizing leek. Op deze manier werden de Bosjesmannen steeds teruggedrongen naar het zuiden, want zij konden niets beginnen tegen de grote meerderheid van de Bantoestammen.
 
De blijvende toevoer van de Bantoestammen uit het noorden dwong de Bosjesmannen ertoe om steeds opnieuw andere territoria op te zoeken waar ze hun nomadische levensstijl konden voortzetten. Zo gebeurde het dat de eens zo wijdverspreide bevolking van de Bosjesmannen sterk in aantal afnam en steeds in een kleiner gebied werd geconcentreerd. Af en toe gebeurde het dat enkele Bosjesmannen het vee van een Bantoedorp expres op de vlucht deden slaan om hen tegen te werken, maar dit gaf de Bosjesmannen enkel nog een veel slechter imago, ze werden eens zo meer als ‘stomme wilden’ beschouwd, en wanneer een groep Bosjesmannen zich bij een Bantoegroep wilde integreren, werden ze steeds als slaven gebruikt.
 
Alsof dit alles nog niet genoeg was, zetten omstreeks 1500 de Europeanen voor het eerst voet op de Zuid-Afrikaanse bodem. Eerst arriveerden de Portugezen, daarna de Nederlanders, deze laatsten zagen de Zuid-Afrikaanse kaap als de ultieme locatie voor een verversingsstation voor schepen op doortocht. Halverwege de zeventiende eeuw vestigden de eerste Hollanders zich (onder leiding van Jan van Riebeeck) tijdelijk op wat later Kaap de Goede Hoop zou heten. Niet veel later werd het mogelijk voor Nederlandse burgers om zich permanent in Zuid-Afrika te vestigen. Deze blanke volksplanting was het trage begin van de kolonisatie van Zuid-Afrika. Op het einde van de achttiende eeuw en opnieuw in het begin van de negentiende eeuw, werd de kaap door de Britten bezet. Vanaf toen groeide de blanke bevolking in Zuid-Afrika sterk met mensen van verschillende nationaliteiten, die grote delen van Zuid-Afrika innamen. Een andere factor waren de Zoeloe’s, een gevreesd inheems volk uit het Zuidoosten dat de strijd aanbond tegen de Britse legers en talrijke andere bevolkingen op de vlucht deed slaan. De Bosjesmannen, die enkel leden onder al deze veranderingen zagen uiteindelijk de dorre Kalahariwoestijn als hun enige toevluchtsoord waar geen enkel ander volk iets te zoeken had of zou kunnen overleven.